Het verdienmodel van democratie

Startups zijn hot. Er is veel aandacht voor startups in de media maar ook bij investeerders. Dat betekent dat er geld is om dingen uit te proberen, de status quo uit te dagen en, bij succes, het domein waarin je opereert blijvend te veranderen.  Maar welke terreinen veranderen er nu snel en klopt dat wel met wat wij belangrijk vinden?

Democratie is hartstikke belangrijk, maar civic technology (of participatie-apps in het Nederlands :)) blijft een lastig onderwerp: Het aantal initiatieven is op twee handen gauw geteld en mijloeneninvesteringen blijven vooralsnog uit. Met een beetje geluk ken je als lezer Petities.nl, misschien nog mijn eigen Verbeterdebuurt.nl en heb je nog eens gehoord van het Britse MySociety.org , maar dan heb je de belangrijkste initiatieven in het domein zo’n beetje wel weer gehad. En ook zij komen nog niet om in het investeringskapitaal.

Startups kun je eigenlijk zien als hyper geconcentreerde innovatiebedrijven, aangedreven met kapitaal dat speculeert op een verandering van een bestaande markt. Omdat investeerders soms verwachten dat een startup een miljarden industrie kan omgooien, kan zo’n startup al heel snel veel geld ophalen.  Het gevolg is dat die domeinen waar veel geld in omgaan, ook vatbaar zijn voor veel innovatie.

Volgens de principes van de vrije markt stroomt innovatiekapitaal naar die plekken waar consumenten waarde aan toe dichten.  In theorie kan het sommetje dus mooi rond gemaakt worden. In praktijk blijkt echter dat sommige terreinen veel kapitaal aantrekken, zoals Mode en E-commerce, terwijl anderen achter blijven zoals Onderwijs en Voedsel, terwijl je moeilijk kan zeggen dat het eerste belangrijker is dan het laatste.

Investeerders zullen daarom altijd kijken naar het verdienmodel en potentiële markt. Daar begint voor democratie de schoen te knellen. Enerzijds is de betalingsbereidheid bij burgers niet hoog. Zelfs GeenPeil heeft tot op heden, ondanks de publiciteit, moeite om meer dan 15 cent per handtekening op te halen . Je zou je kunnen afvragen of het publiek moeite heeft te onderkennen wat belangrijk is.  Anderzijds wordt er wel degelijk heel veel betaald aan belasting, maar gaat dat allemaal naar de staat als monopolist. Dat is natuurlijk niet goed voor de markt: Als V&D een gedwongen winkelnering gekend zou hebben, dan had Bol.com niet bestaan. Maar het zou mensen ook wel eens betaalmoe kunnen maken. (Waarom betaalt de regering hier niet voor? ). Zelfs Wikipedia, misschien wel het toppunt van onze beschaving, heeft ongeveer evenveel budget per jaar, als L’Oreal per dag kan besteden.

Overheden de zeggenschap geven over hoe zij met de burger praten is niet altijd een goed idee. Dat contact zal altijd van binnen naar buiten ontworpen worden en zo creëer je een situatie waarin de slager zijn eigen vlees keurt. Ik heb de oprichter van OpenKvk wel eens horen zeggen dat hij graag het “right to challenge” zou gebruiken als het gaat om de budgetten van het KvK (Arjen Lubach legt uit waarom dat nodig is).  Ik heb zelf meegemaakt dat gemeenten liever veel geld besteden aan een app die niet werkt, dan aan te sluiten bij een landelijk initiatief, voor een fractie van de kosten. Het draait dan vaak om controle, terwijl die controle uiteindelijk bij de burger zou moeten liggen.

De markt wordt vaak genoemd als verlengde van democratie. Samen bepalen we wat iets waard is.  Maar andersom is dat nog niet gezegd. Je moet een beetje oppassen voor cynisme als voor de toekomst van winkelen miljarden geïnvesteerd kunnen worden maar dat we blijkbaar geen geld kunnen vinden voor hoe we samenleven. Democratie moet je niet alleen over laten aan de markt, maar kan een beetje speculatie voor groeiversnelling zorgen in dat domein dat nu nog te weinig aandacht krijg.

Hoe passen we de voorwaarden voor democratie zo aan, dat ook zij gebruik kan maken van het huidige innovatieklimaat? en hoe zetten we het belang hiervan op de agenda? Eventuele killer ideeën zijn welkom in de comments!

Lees ook eens (Ik ontvang trouwens ook graag leestips in de comments):

Flashmobpolitiek

De huidige parlementaire democratie is niet de toekomst van onze politiek. We gaan steeds vaker zien dat burgers zich zich kortstondig gaan verenigen rondom onderwerpen als een soort “politieke flashmobs”. Dit verdient een eigen betrokkenheidsgestuurde aanpak en de aandacht van de zittende politiek.

Steeds minder mensen zijn lid van politieke partijen en er zijn steeds meer zwevende kiezers. Dat is niet per se een teken van minder betrokkenheid. Het Sociaal Cultureel Planbureau meldt bijvoorbeeld dat het ledenaantal van politieke partijen daalt, maar dat dit niet in dezelfde mate geldt voor bijvoorbeeld sportbonden of fondsen die afhankelijk zijn van donateurs. En juist die bonden of fondsen die daarin succesvol zijn, melden, in dat rapport, dat dit komt doordat zij de interactie opzoeken met hun leden.  Sterker nog, Jacques Thomassen, Carolien van Ham en Rudy Andeweg, betogen dat het dalende aantal leden een teken van meer betrokkenheid zou kunnen zijn. Leden volgen immers partijen en zwevende kiezers kunnen misstappen onmiddellijk afstraffen.

Volgens mij past dit naadloos in een trend: Individualisering en daarmee samenhangend het vervlakken van hiërarchie, al dan niet geholpen door technologie. Individualisering werd in 1998 al door het SCP beschreven als de meest kernachtige karakterisering van de maatschappelijke dynamiek en daarin is niet veel veranderd. Wie nu gaat kijken bij Google en dat vergelijkt met een wat ouderwetsere organisatie als Microsoft zal het gelijk opvallen dat de structuur veel minder hiërarchisch is. John Ibbitson beweert zelfs dat getalenteerde twintigers tegenwoordig van hun werkgever eisen dat ze overal over kunnen meepraten.

En die trend wordt alleen maar versterkt door technologie die organiseren makkelijk maakt. Waarom zou je lid worden van een politieke organisatie als deze niet al jouw punten onderschrijft? Waarom kan je niet alleen jouw onderwerp steunen, door eenvoudig lid te worden van een groep die zich inzet voor een klein onderwerp? De dames en heren van GeenPeil verzamelden in korte tijd meer steun voor een referendum over het associatieverdrag met Oekraïne dan alle politieke partijen samen leden hebben. Quinsy Gario en Kno’ledge Cesare startten een kritische beweging over Zwarte Piet in los-vast-verband en houden al jaren de gemoederen bezig.

Als je deze trend doortrekt zullen we in de toekomst vaker zien dat mensen zich in “politieke flashmob” gaan verenigen. Relatief losse verbanden, steunend op de verenigende mogelijkheden van het Internet, die verenigd zijn rond onderwerpen die zij belangrijk vinden en het daarna helemaal niet eens hoeven te zijn over andere onderwerpen. Die zaken die daarbij belangrijk zijn, zoals mediagevoeligheid en verspreidbaardheid van de boodschap, maar ook het sociale netwerk waar de boodschap in verspreid wordt zijn snel een belangrijkere positie aan het innemen ten opzichte van de meer traditionelere spelers.

+1 voor GeenPeil en waarom dit de toekomst is voor de democratie

GeenPeil, een initiatief dat een referendum probeert af te dwingen over het associatieverdrag met de Oekraïne, is geslaagd in haar opzet. Zij heeft meer dan 450.000 handtekeningen verzameld en ingeleverd bij de kiesraad. Dat referendum gaat er dus hoogstwaarschijnlijk komen, en dat is geweldig! Nu al hoor je her en der argumenten tegen dit initiatief en het daaruitvolgende referendum, maar waar die al hout snijden wegen die niet op tegen de voordelen. Ten eerste gaat dit referendum namelijk zorgen voor meer betrokkenheid van de Nederlandse inwoners bij het onderwerp. Daarnaast is het goed om inspraak te hebben bij de organen die ons vertegenwoordigen, al was het maar ze scherp te houden. Maar er is meer aan de hand: GeenPeil laat ons zien hoe we democratie ook kunnen inrichten (Sterker nog: Daar ligt onze toekomst).

Maar laten we eerst eens in de nay-sayers duiken, want elke grote innovatie roept eerst weerstand op. Grofweg waren er drie geluiden te horen: Dit onderwerp is niet belangrijk genoeg, GeenStijl is een foute club en dus moet je ze nergens mee helpen en, het meest belegen geluid, onze parlementaire democratie draait nou eenmaal om inspraak door vertegenwoordiging.

Het onderwerp is niet zo sexy als het had kunnen zijn. Het gaat thans over een van drie onlangs gesloten associatieverdragen en de significantie van zo’n verdrag is onduidelijk. Aan de ene kant stelt GeenPeil het verdrag voor als een soort Trojaans paard dat in de toekomst kan worden gebruikt als argument voor meer verdragen waar nu geen draagvlak voor is. Zij stel de EU voor als een sterk uitdijende unie, en suggereert, tenminste bij monde van Thierry Baudet, dat zij dat probeert te bereiken via een salamitactiek die de burger voor voldongen feiten stelt. Aan de andere kant zijn er kritische geluiden te horen die stellen dat veel van die argumenten berusten op suggestie of in elk geval ongefundeerde gevoelens. Zo stelde Remmelt de Weerd onlangs in de Correspondent, dat eerder gesloten associatieakkoorden lang niet altijd tot lidmaatschap hebben geleid en dat enkele andere gevolgen, zoals het opgang komen van een geld- en migratiestroom, niet direct uit de inhoud van het verdrag volgen.

Het belangrijkste aspect van dit afgedwongen referendum is wat mij betreft niet zozeer dat verdrag, maar wel het feit dat er überhaupt inspraak mogelijk wordt gemaakt en de daaruitvolgende maatschappelijke discussie. GeenPeil suggereert dat zelf trouwens ook, zoals te lezen is op hun site, het gaan hen immers om de democratie en, in hun woorden, een kleine, dogmatische politieke elite die vanuit een ivoren toren van weelde en zelfverrijking hooghartig de stem van het volk negeert. We moeten niet vergeten dat de wet die deze actie mogelijk heeft gemaakt pas krap 3 maanden in werking was. GeenPeil heeft het eerste het beste onderwerp aangegrepen dat voor de hand lag. Het gevoel dat de EU geen democratische legitimiteit heeft leeft. Zo stelt de Eurobarometer dat het aantal Europeanen dat zich door de EU vertegenwoordigd voelt nog steeds een minderheid vormt.

Het argument dat sommigen GeenStijl een foute club vinden vanwege andere punten, zoals dat bijvoorbeeld gevoerd wordt door Peter Breedveld, op Frontaal Naakt, gaat technisch voorbij aan het feit dat GeenPeil mede is georganiseerd door BurgerForum-EU, maar dat terzijde. Veel belangrijker is dat de partij achter een referendum er geen fluit toe zou moeten doen. Het zou moeten gaan om het onderwerp. Sterker: De politiek van de toekomst kent geen partijen, maar onderwerpen. Moses Naim beweert in het NRC Handelsblad dat machthebbers hun positie makkelijker dan ooit kwijtraken aan nieuwe, opkomende, kleine machten. Als je die lijn doortrekt dan gaan wij toe naar een landschap waarin kleine vluchtige organisaties zich bezig houden met een of enkele onderwerpen.

Vroeger toen het moeilijk was grote groepen mensen te bereiken was het handig om een organisatie, of politieke partij, op te tuigen en daar leden aan te binden voor voldoende draagvlak. Als GeenPeil een ding heeft laten zien, is dat het met nieuwe middelen mogelijk is om met minimale organisatie een breed draagvlak te creëren. Het is geen toeval dat lidmaatschap van politieke partijen al jaren afneemt en dat one-issue-achtige-partijen als paddenstoelen uit de grond schieten. Symbolisch genoeg haalt GeenPeil meer handtekeningen dan er überhaupt leden van politieke partijen zijn.

Als je kijkt naar de steeds minder loyale kiezer, de almaar toenemende versnippering in partijenlandschap en de steeds minder stabiele kabinetten, dan leidt dat mij tot een conclusie: De Parlementaire democratie zoals wij die kennen loopt op zijn laatste benen.

En die verandering is welkom. Ons huidige systeem is namelijk niet het antwoord op democratie, maar het beste systeem dat we konden organiseren met de state-of-art uit 1848. Het zou immers onpraktisch zijn om iedereen via een brief bezorgd per trekschuit uit te nodigen om mee te debatteren. (Ironisch genoeg is dat wel ongeveer hoe je een referendum moet aanvragen). Het daarmee veronderstelde weren van ongeïnformeerde meningen, een vaak gehoord tegenargument, heeft in elk geval geen historische verantwoording. In de bakermat van onze democratie, het klassieke Athene, was het als burger je plicht om mee te denken over belangrijke vraagstukken, op straffe van verf op je jasje. Maar belangrijker nog, het huidige systeem zou wel eens tot desinteresse en misinformatie kunnen leiden. Zo beweert prof. dr. Rudi Andeweg dat een goed referendum de democratie kan versterken. En meerdere studies (Zoals bijvoorbeeld beschreven in Die direkte Demokratie: modern, erfolgreich, entwicklungs- und exportfähig,  1999) laten bijvoorbeeld zien dat betrokkenheid toeneemt als burgers meer directe inspraak krijgen. Die ongeïnteresseerde burger is dus niet het argument tegen democratische vernieuwing maar het gevolg van de huidige situatie.

Ik zou graag zien dat onze democratie zich langs de lijnen van meer directe inspraak zou ontwikkelen, door de inzet van nieuwe technologie. Die trend is al ingezet, maar zou best meer omarmd mogen worden. De lijst voorbeelden van initiatieven is groot: Van petities.nl, via mijn eigen Verbeterdebuurt.nl en nu dus GeenPeil. Die initiatieven worden soms wel en soms omarmd door de huidige overheidssystemen. Dat lijkt me niet meer dan normaal, innovatie komt vaak toch van buiten af.  Wat mij betreft is er juist ook een rol weggelegd voor de media en de actieve burger om zich meer te roeren. Bij een democratie is immers de burger aan de macht en dan kan je niet alleen van onze vertegenwoordigers verlangen dat zij zichzelf controleren.

 

Openstreetmaps and the crowd

About two weeks ago Serge Wroclawski (ex-hacker, Free Culture Advocate) wrote a cool article about ‘Why the World needs OpenStreetMap‘, which quickly found it’s way to other media, such as the Guardian onder andere overgenomen door de Guardian.  

In the article he states his case for a freely available worldmap for and by the people. He explains quite convincingly the use of an independent source for a map. A map which we could not only promote to a standard, but of which we could safely assume that it would be value and interest-neutral.

Serge scores points on the instrumental side of things, but  on the emotional level things also seem to add up; time and or space should not be privatized, as the author underlines with a parallel with the time standardization efforts of the late 1800’s.

The OpenStreetMap Foundation is a British organisation working on precisely such a map. Founded as a not-for-profit organization in 2006, some time after the first steps in the map project itself, the foundation relies on volunteers and donations to complete its difficult task. Not unlike Wikipedia, it enables outsiders to fill in some of the map with their information or to update information that is already in place. The open and transparent approach is very compatible with the independent and neutral character of the project.

 The parallels between Wikipedia and OSM,  the shorthand name for the project, aren’t a total coincidence.  As the latter project was inspired by the first. But if we were to zoom in a little further on the comparison some differences become obvious. It would be a little superfluous to write about the use of Wikipedia nowadays for one, or the need to help the project meet a wider audience. The many private competitors that Serge refers to in the article are a challenge for Wikipedia no more. This while Wikipedia had faced and challenged many prejudices about a knowledge base crafted and maintained by the crowd, paving a way for newer initiatives like this one. Where Wikipedia relies heavily on individuals, OSM has received large data contribution by 3rd parties such as Yahoo or governments.

This author thinks that OSM could take of in a bigger way, if we manage to clear some sand out of it’s gears and engineer it to sell itself. Serge seems to be looking at the applications of the maps. The web version of Bing is easy to use or look at, Apple Maps ships with every iPhone and Google Maps is king of the data mashup. Whereas, OSM is a little rough around the edges, it lacks a decent app and mashups are being made in dribs and drabs (feel free here to take a look at my implementation of the Dutch cyclist associations issue reporting system.

I’m not totally convinced that this is right button to push. Wikipedia had to tackle scores of encyclopedia’s, with the Britannica as it’s ultimate champion, sans CD-roms (yes way back then), print edition or a great design (individual results may vary with taste). I say: Content is King. You are not using a map that is less incomplete or outdated as long as the competition is free. And this content can be King only if OSM manages to engage the user to become a contributor.

 Two challenges lie ahead: OSM isn’t stupidly simple to contribute to and it offers you, the user, no reason to contribute, aside from an abstract feeling of doing good. You can only motivate people that much wielding the common good, and less if it is an abstract goal and no one’s keeping score. OSM should define its goals and progress way more clearly and should give before it takes. Wikipedia gave you your thesis, OSM gives us a map we already have for free.

Of course OSM gives us something that private parties can’t: Control over the map, but it fails to bring that close to us. How can it be that Google is now marketing that you can add your own places, while OSM is the only one that could deliver here. I think that there are thousands of people that would benefit directly from adding themselves to the map (shopkeepers for one). And there should be loads of other applications to think of but it starts by connecting to the user.